Zo D Ouden Zongen

bron : "Pelter ditjes en datjes" van René Vanderhenst
De winteravonden waren lang rond 1925. Petroleumlamp en kaars gaven te weinig licht om te lezen, radio en televisie lagen nog in het verschiet. Ik heb al geschreven: er werd veel gekaart en verteld, maar… er werd ook veel gezongen. De liedjes, gehoord op het kermisplein, werden ten gehore gebracht, gedichten zoals «Droeve tijden» en «De kapitein en zijne moeder» werden voorgedragen en dan had je, niet alleen vertellers, maar ook zangers die «hun lijflied» brachten.
Mijn vader stierf vroeg, ik was een knaapje van nog geen negen jaar, maar nu nog hoor ik hem zijn liedje zingen:
Trek ik mijn blauwe jas
met gouden knopen aan.
En ieder die me ziet…
blijft met bewond'ring staan.
En hij neemt zijn hoed
en buigt zo diep hij kan.
Want hij is van «Zilverstein»,
die piek-piekfijne man (2x).

Meester Peeten, te dien tijde een vrolijke meester, steunend lid van het zangkoor, had een uitgebreid repertorium, maar tevens een paar lievelingsliedjes: "Ik heb ene nicht en die heet Adèle, 'n aardig, lief kind, ja ge kent ze wel!" maar vooral "Peternelleke". Het klonk als volgt:
Ich vroag ekskuus, es ich och koom lastig vallen.
Ich vul mich toch zo moederkesmiens alliën.
En 't is es goed vantied zo wa te kallen
Men vindt soms road, me kallen onderiën.
Onderos, ich wil in 't huwelijksbootje trejen
Ich hem allang nen teerbeminde schat.
Ich bin wa bleu en ich weet niej goed hoe ’t drèjen
Mer ich blief van ver stil zuchten in mijn hart.
Oh Peternelleke
lui karamelleke!
Malsfrikadelleke
schoeën zoas geen!
Fijn muizevelleke
mijn dik mastelleke!
Oh peternelleke
warre we mer biën!

Er volgden nog meerdere stroofjes; ik heb dit liedje vaak gehoord, maar niemand kon dat zingen zoals de meester. Zijn intonatie en zijn mimiek waren meesterlijk. Zijn vriend en leeftijdgenoot Zjef van Jandoor Hendriks was ook zo'n vrolijke kornuit. Hij was de lolbroek op lange winteravonden, op familiefeesten en bruiloften.
Het was in de twintiger jaren de gewoonte dat onze fanfare jaarlijks een toneelstuk opvoerde in zaal Reymen (kwestie van de kas te spijzen). Op zaterdag, na schooltijd, werd er dan «een generale repetitie» gehouden voor de kinderen. Daar heb ik Zjef horen zingen, begeleid door de fanfareleden, Zjef van Govert en ozze Zjang:
Wij zijn de stratekeerders van beroep,
Wij keren pad en plein en weg en stoep.
Ja ziet maar (2x) zo 't liedje gaat,
Zo keren wij in Overpelter straat!

Ook wij, de kinderen, zongen onze gezelschapsliedjes:
Zakdoek leggen,
niemand zeggen.
Kükelekü! zei hoanepoeët,
'k heb maar ien poar schoentjes oan,
len van leer, ien van stof,
Hier leg ik mijne zakdoek neer.

en de zakdoekraper of raapster zette dan de achtervolging in. Op de speelplaats hoorde je de meisjes zingen tijdens het rondedansje:
Ringele, ringele, roezen,
de boter in de doezen,
de eier in de kaassen,
overmörrige waassen,
overmörrige schöpke slachten,
dan roepe w 'allemoal: blèèè!

Kaatsen was het geliefkoosde spel van de meisjes en wij, bengels, durfden wel eens een balletje tegen de muur gooien. De behendigsten speelden het klaar te kaatsen met drie, ja! met vier kaatseballen!… en zo ging dat mooie kaatslied:
Tegen de muur
daar is het zo duur.
Van moleke draaien
de koffie is klaar.
Eén pond rijst
één pond bloem.
Franswa!
Achter het gordijn
een flesje met wijn,
een flesje met water,
een potje met zeep.
Ik was mijn handen,
ik droog ze af,
ik zet ze in mijn zij,
ik kniel er weer bij,
op ene voet,
op d'andere voet.
Van porselein,
dat is zo fijn,
en… 'k draai me weder om!

Heel zeker zijn er nog vele Peltersenioren en senioritas, die bij het horen van volgend liedje, de voeten voelen kriebelen en nog goesting krijgen om eens «kurdje» te springen of te huppelen:
Eske, modeske, gloria!
Hoepsasa, hoepsasa!
Eske, modeske, gloria!
Hoepsasa!

en ja! Wij, stoere rakkers, mochten soms ook eens deelnemen aan de meisjesspelletjes: piepke-bergen en enkele kaatspartijkes. Ook wij zongen van:
Antoinette, wie heeft de bal,
Draai u om
dan weet ge 't al!

en ook nog:
Wat groeit er in onze tuin ?
Ajuin!
Wat nog?
Peterselie!
Al wie omkijkt
die krijgt hem niet
die krijgt hem niet!
Al wie omkijkt
die krijgt hem niet!

Maar «de» mooiste kinderliedjes zongen onze zusjes en buurmeisjes bij lente- en zomerdagen op de pleintjes langs de huisgevels. Ik hoor nu nog de «weemoedige» melodie en ik zie ze nog dansen rond Anna
Anna zat op ene steen, ene steen, ene steen.
En Anna zat op ene steen, ene steen!
Ze kamde hare gouden haar, gouden haar, gouden haar. Ze kamde hare gouden haar, gouden haar!
Zeg Anna waarom weent gij zo, weent gij zo, weent gij zo ?
Zeg Anna waarom weent gij zo, weent gij zo?
Ik ween omdat ik sterven moet, sterven moet, sterven moet! Ik ween omdat ik sterven moet, sterven moet!

Er waren nog tal van stroofjes, maar… wie van u kan ze mij voorzingen? En dan was er nog dat liedje zonder einde:
'k Heb een wit-zwart spiegeltje gevonden,
'k heb het op mijn hartje gebonden.
Zeven jaar naar school gegaan,
zeven jaar rond gegaan.
Wie de jongste dochter is,
die draait zich weder om.
Zij is al omgekeerd,
zij is al omgekeerd…
en weer van voorafaan!

De kinderen van 1995 zingen niet meer. Radio en televisie doen het in hun plaats en… als er dan toch eens eentje probeert, is het iets in het Engels of het Frans! Spijtig!
Ik wil hier enkele kinderspelen uit mijn vlegeljaren neerschrijven. Hoeveel ken jij er nog en je dochtertje of zoontje?

  • kaatsen
  • diaboloën
  • knikkeren
  • landkappen
  • ringen
  • bokspringen
  • klotsen
  • nesten zoeken
  • kremke schieten.
  • touwtjespringen
  • hinkelen
  • koerslopen
  • doppen (met de tol spelen)
  • voetballen
  • piepke bergen
  • stokske lopen
  • vliegeren
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License