Tussen Spoorweg En Brug

bron : "Pelter ditjes en datjes" van René Vanderhenst

Het moet hier gezegd; in de twintiger jaren was de brug er nog niet, de brug die nu het begin van de Holheide aangeeft. De spoorweg was er wel. De overweg aan het station op de lijn Neerpelt-Antwerpen was ook het sluitstuk op het gehucht «den Halt». Nu heet het daar «Holheide» want in de loop der tijden werden Halt en Holven versmolten tot één wijk. Daar moest je in mijn jeugdjaren niet aan denken! Het verschil tussen de twee vroegere gehuchten was te groot. Het was zoiets als water en vuur, als dag en nacht.
De nederige huizen aan weerszijden van de zandweg richting Kruiskiezel werden bewoond door werklui, fabrieksarbeiders, mensen met een ruwe bast, maar met een gouden hart. Het oude station, juist voorbij de overweg, was zeker het voornaamste gebouw; Pier Ceelen heeft er jaren lang, als chef, de plak gezwaaid. Het «roet-huiske» werd bewoond door een bareelwachter, Jen Poelmans-Janssen, met zijn familie… en juist daarvoor lag de herberg van Verschakelen. Daar konden de dorstige reizigers bij af- en opstappen zich verfrissen en luisteren naar het grote orgel. In «den Halt» eindigde, aan de spoorweg, hel «privé-spoortje» van de zinkfabrieken. Van aan de overweg keek je over de purpere heidevlakte heen naar de schouwen die donkere rookpluimen tegen de lucht tekenden.
«Den Halt» was voor de fabrieken het knooppunt tussen het Ruhrgebied in Duitsland en de haven van Antwerpen. Het treintje kwam .afgewerkte produkten lossen en ertsen en andere benodigdheden ophalen. Dat fabriekstreintje heeft vele jaren de heide doorkruist. Voor enkele Haltbewoners is er een triestige herinnering aan verbonden. De jonge Pier Boes verongelukte immers met dat treintje. Merk je nu hoe belangrijk «den Halt» was voor Overpelt? De trein, komende van de grote havenstad, bracht soms nog iets anders mee! Als je bij lentedagen door het gehucht stapte, rook je zo'n flauw, stinkend geurtje, de geur van «stratemest», afval uit de stad. Ganse wagons werden daar gelost. De Haltenaren «bemesten» er hun magere hoven en akkers mee.
De mensen waren er honkvast en nu nog hoor je er de oude namen: Serroyen, Lemmens, 't menneke Vanhelden, Moelans en Vermeesen, Cremers en Verschakelen, Dekkers en Meynen. Je had er nog de Kruk, Mrie Van Rul en… ik zal het nooit vergeten het «kosthuis van Lieën Verbeek», waar ik als misdienaar de Heilige Communie kwam (helpen) brengen. Daar waren dikwijls Vlaanderaars, die met «linnen» leurden van deur tot deur, in de kost. Het dialect van «den Halt» was het Pelters, maar ergens klonk er soms iets Lommels door.
De «man» van het gehucht was ontegensprekelijk Pier Verkoyen, winkelier, vlotte prater en gemeenteraadslid. Zijn winkel was voor de «Haltenaren» wat eeuwen geleden, tijdens de zeven magere jaren, de graanschuren van Jozef waren voor het volk van Egypte. Pier verkocht van alles, zelfs petrol. Geen wonder dat hij ook de eerste benzinepomp had in Pelt.
De mensen uit het gehucht midden in de heidevlakte kozen resoluut voor het Dorp. Hun kinderen liepen er school. Stel je voor: tweemaal daags, winter en zomer, stapten ze op klompen naar de dorpsschool en terug. Bij winterweer was dat een hels karwei; bij zomerweer was het een verre, doch dikwijls plezierige tocht. Wie kon het de kinderen kwalijk nemen dat zij de kampioenen van de heggeschool waren. Op school waren het goeie makkers; bang waren ze verdorie niet en in geval van nood grepen ze hun wapen; een stevige houten klomp!
De volwassenen gingen ook ter kerke in het Dorp. Ik wil niet beweren dat zij de «steunpilaren» van Onze Moeder de Heilige Kerk waren, maar Onze Lieve Heer begreep ook wel dat de afstand en het weer redenen waren om soms de zondagsmis te verzuimen. Hij zal de spons wel geveegd hebben over andere dingen dan deze prullezonden!
De vrouwen van «den Halt» konden de handen uit de mouwen steken en… hun tong roeren. Ze namen verdikke geen blad voorde mond.
Het verhaal dat hier volgt, is niet uit de duim gezogen en gaat over Mie, «Mie Poel», een stoere, brave, werkzame Haltse met een eindeloos grote dosis zelfvertrouwen. Mie werd op reeds gedegen leeftijd verliefd en ze besloot de zegen van de Kerk over haar huwelijk te vragen. Op een vroege voormiddag, voor het werk, belde ze aan op de pastorij. Ze was op «zich werks» gekleed: trui en lange broek. In die jaren was een vrouw in lange broek zoiets als nu een vamp in te korte minirok. De deur ging open en Mie snelde recht naar de spreekkamer waar onze pastoor al wandelend brevierde. De brave herder bekeek ons Mie met grote ogen en zei:
«Maar Maria, zo 'n lange broek, da's toch niet vrouwelijk!»
“Watte!”, zei Mie en bekeek de pastoor, in zwarte toog, van boven tot onder, «Watte! Niks vrouwelijk? En ouwe lange rok, is dé messchien mannelijk? Ich bin heij mè rap binnegespronge om te vroage wannier dè ich mè mènne Pros kan kome om te trouwe!»
En wanneer wilt ge trouwen Marie?», vroeg de pastoor,
“Euvermörrige-vrug,um zes ure!»
Houw, houw, Marie!», zei de pastoor, «dat gaat zomaar niet!»
Daan es 't oech goed, menier pastoer”, antwoordde Marie, «daan kroep ich zoe mèr bè mènne Pros!»… en Pros en Marie zijn twee dagen later, om zes uur 's morgens, door onze pastoor in de echt verbonden! Zo waren die van de Halt!
Bij die van «'t Menneke» op de hoek, vertrok de Holvense weg, de verbindingsweg tussen de huidige Astridlaan en de Napoleonweg. Rechts glooide de heidevlakte tot tegen de donkere bossen, links waren er de malse weiden in de vallei van de Holvense beek. Daar boerden de bewoners van de wijk: die van Nouwen, Voets, Loos, Vangerven, Dirkx en in afspanning «De Trepkens» woonde de familie Mentens. Jeugdige lezers en lezeressen, jullie kennen de vlakte achter café de Trapkens niet gelijk wij ze vroeger kenden: de wijde heidevlakten met uitlopers van berk, den en brem, de golvende zandheuvels waar de zomerzon zo gloeiend heet kon branden, de vennen in de verte en de geheimzinnige dennenbossen aan de einder. Hoe heerlijk hebben we daar gestoeid, gerend achter schichtige konijnen, gejaagd op watervlugge eekhoorns. Daar lag het paradijs voor schoolreisjes, later voor studenten-speelnamiddagen. Helaas! Er rest niet veel meer van dat «Eden» uit onze jeugd.
Pelterditjes04_DeTrepkens.png
Afspanning de Trepkens

De Holvensen waren niet zo opgetogen over de «werkers» van «den Halt»; zij, «de boeren», voelden zich wat hoger in stand. Zij kozen ook niet voor het Dorp. Hun kinderen liepen school in het Lindel en ook zij zelf gingen daar 's zondags ter kerke.
De meest beroemde van alle inwoners was zeker Mathieu Vaesen. Tjeu was voor ons een bron van fierheid. We trokken naar alle wielerwedstrijden in de omliggende dorpen en supporterden er voor hem, de beste van alle «koereurs». Tjeu, op zijn lichtgroene fiets en in zijn lichtgroene trui, was een spurter, een renner met een vlijmscherp eindschot. Hem mee naar de streep pakken, was voor zijn tegenstrevers zoiets als rijden voorde tweede plaats. Misschien denk jij nu aan doping? Nee, hoor! Tjeu deed het op boterhammen met «goei boter en hesp». Misschien zat het geheim van zijn kracht in de grassprietjes (goed gras van het Holven), die hij de laatste kilometers uit zijn zakken haalde en in zijn mond stak. De inspanning bezorgde hem wel wat groenachtig schuim op de lippen, maar na de spurt veegde onze kampioen eens met zijn mouw langs de mond en hopsa! hij was klaar voor het bloemenmeisje. Wij, jonge gasten, waren er trots op zo'n kampioen als dorpsgenoot te hebben! Harrie van den Dierk was later nog zo'n klasbak op de fiets, een renner met een prachtige erelijst, een echt pronkstuk voor het Holven.
In 1937 werd de school van het Holven gebouwd: drie klassen, een kleuterklas en twee lagere klassen. Dat was de eerste stap tot de «eenmaking» der twee gehuchten. Aan het einde der jaren vijftig werd in de vlakte de «nieuwe wijk» ingeplant en… gedaan was het met «den Halt» en «het Holven»; het werd «Holheide»!

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License