Nieuws

bron : "Widde’t oech nog" van René Vanderhenst

De media: pers, radio en TV hebben ons in hun greep. We worden overspoeld door nieuws allerhande, nieuws uit de ganse wereld. Onze facteurs zijn jaren voor hun tijd versleten door het zeulen met pakken kranten en kilo's reclamebiljetten.
Onze kleinkinderen praten over Honolulu, Bangkok en Texas gelijk wij vroeger over het Lindel, het Fabriek en het verre Hent; ze moeten zeer vroeg "brillen" omdat ze dagenlang TV.-kijken en TV.-spelletjes spelen.
's Morgens naar het werk gaan zonder het radionieuws gehoord of de krant gelezen te hebben, gaat echt niet meer.
In mijn schooltijd hing op een wandplaat een aap aan een tak. Een jaar lang heb ik dat beest moeten bewonderen. Hij hing daar al die tijd aan één hand en heeft er ook nog jaren gehangen. Nu drukt mijn kleinzoon op de TV-knop en hij ziet diezelfde aap lopen, eten, springen, muilen trekken en… leven in het oerwoud van Borneo.
De grootste nieuwsbron uit mijn kindertijd, het vertellen, is opgedroogd… Het ras der echte vertellers raakt uitgestorven.
Geschreven nieuws was er weinig in 1930; zo er al een dagblad kwam in het dorp was het zeker niet voor Jan met de pet. Nee! Ik herinner mij het weekblad "De Boer", het blaadje van de Boerenbond (in 30 ging het blaadje, samen met de boerenspaarpot, ter ziele bij het grote faillissement van de Boerenbond) en het "Maeseycker Weekblad". Ik ken nog het vervolgverhaal "Donkere Wolk, de Indiaan"; het kreeg mijn grootste belangstelling. Het was een avontuur zo spannend als Karl May's Winnetou.
Op lange winteravonden, als er geen "baank" om te kaarten was, werd er, knusjes rond de warme kachel, verteld: de weersvooruitzichten.
plaatselijke nieuwtjes, de dorpsschandaaltjes en … sterke verhalen over rovers, spoken en heksen.
Er waren toen van die beroepsleugenaars die, met omfloerste stem en met vele lange rustpauzes, verhaalden over al dat geheimzinnige en onverklaarbare dat ze meegemaakt hadden langs donkere straten, onverlichte veldwegen en dichte heggen.
Je voelde de koude rillingen zo over je rug lopen; op de donkere trap ,naar boven, loerde je naar een stel moordenaars, je keek onder het bed of daar iemand lag en je kroop diep onder de dekens.
Maar er waren ook vrolijke verhaaltjes. We werden het niet moe die te horen vertellen en negen keer op tien ging het over dezelfde persoon, Zjef, Zjef van de Roeëzen.

Zjef van de Roeëzen

Hoe hij zijn familienaam schreef, doet niets ter zake, want iedereen, van groot tot klein kende hem dank zij zijn vertelselkes en zijn woonplaats, "De Roeëzen".
Alle mopjes uit mijn jeugdjaren hadden Zjef als spilfiguur. Later, toen ik soldaat speelde, merkte ik dat onze Zjef een nationaal bekend figuur was, immers West- en Oostvlaamse jongens vertelden grapjes over hem.

WiddetOech02.png

Hoe al die verhaaltjes ontstaan zijn, weet ik niet. Zeker is dat onze held zelf aan de basis van een deel daarvan lag; de rest groeide en groeide door de fantasie van onze vertellers.
Toen ik Zjef voor 't eerst in levende lijve zag, viel ik haast van mijn fiets. Ik reed op een middag naar het college te Neerpelt, toen een makker, aan 't station, naar een voorbijganger wees en fluisterde:"Hè, kiekt ies! Dé 's Zjef van de Roeëzen!" Ik had mij altijd zo'n soort clown voorgesteld…en ik zag daar nu een In normale, flinke man met een baard!
Wat er ook van zij: Zjefs fratsen hebben ons heel veel plezier bezorgd en nu nog blijf ik hem bewonderen als een fameuze, heel slimme klepper. Als echte Pelter bloas, was ik stiekem jaloers dat Neerpelt zulk een beroemde inwoner had.
Zeer veel verhaaltjes zijn mij bijgebleven en ik meen er goed aan te doen er je een paar te vertellen.
Op een warme zomernamiddag slenterde onze Zjef door de drukke winkelstraat van Luik en zag daar in een etalage een prachtig zijden kussen liggen. "Potverdomme" dacht onze vriend "das krek iets vur de zetel van de vrouw. Doa zal ze wried blij me ziejen." Haastig zocht hij in zijn dictionairke en vond: "kussen = baiser". Zjef stapte binnen en ja, daar kwam een prachtig exemplaar van het vrouwelijk geslacht achter de toog postvatten! "Baiser, mademwazelleke!" zei Zjef. De dame bekeek hem lachend van boven tot onder en kirde met een hoog stemmetje: "Baiser, monsieur? La ou la?" en ze wees met een spits vingertje… eerst op haar wang en daarna op haar kersemondje. "Non" zei Zjef, "non" en hij klopte eens op zijn achterwerk, "non, pourla!"
Zjef en zijn boezemvriend Schildermenneke bezochten Amerika en werden in New York rondgeleid door een zeer bekwame gids. Hij toonde hen de hoogste wolkenkrabber, de breedste straat, de duurste auto. Zjef liet zich niet kisten en beweerde telkens dat op de Roeëzen alles breder en duurder was. Eens terug op hotel zei Schildermenneke ; "Zjef jong, ge moet niej zoe liegen. Wa moeten ze hei wel van oas dinken". “Widde wa," zei Zjef "as ich nog ies begin te liegen, moede mich tegen mèn schenen schoepen". De volgende dag bezochten ze een enorme zaal. Vol fierheid zei de gids :”En dit, mijne heren, is de grootste zaal ter wereld; 190 m lang en 85m breed”. - "Hei!" riep Zjef, "we hemmen in Nerpelt ene zoal van 250 m laank en … (Schildermenneke raakte hem vlak op zijn rechterscheenbeen) 1,5 m brieêd !"
"Sir," zei de gids, "dat is toch geen zaal, maar een smalle gang." "De Schilderman haw ies niej moeten stampen," sakkerde onze heId, "het zou wel iene zoal geworen ziejn."
Volgend grapje klinkt misschien wat oneerbiedig, maar Zjef kennende zal 't wel echt gebeurd zijn.
Er was een haartje in de boter tussen Zjef en de pastoor en al maanden meden ze elkaar. De kersttijd naderde en de dienaar Gods vreesde dat er deze keer geen sappige "kermenoaj", geen lekker stuk spek en geen "telluurke krapoeêt" zouden overschieten van Zjef zijn zwijntje. In die tijd was dat heel normaal. Je beoefende zo de goede werken en die brachten je enige honderden dagen aflaat op.
Twee dagen voor 't grote feest stopte de priester aan Zjefs achterdeur… en ja, daar hing een pracht van een varken uit te vriezen op de "lier".
"Hallo, goede parochiaan van me!", zei de paster. "Daar hangt nogal iets op de lier en kiek toch ies wat ê spek!"
"Ja, dienaar des Heren," sprak Zjef, "honderdzeuventig kilokes geslacht! Lusde messchien ê stukske ? Ich haw oech dees daag verwoacht. 't Moet mè gedaan zien mè te koppen! Let op paster, as ge mich 't verschil kunt zegge tussen Ozze Lieven Hier en dé verkske, dan kriegde de zwaorste hesp!"
De priester stond daar, de mond vol tanden.
"Awel," grinnikte Zjef, "sumpel zulle! Ozze Lieven Hier stierf vur alle miense te same en di verkske vur mich in 't bezonder! Dag pastoor!”
Ja, die Zjef …! Hij leeft nog voort in mijn herinneringen, in de blinkende ogen en de smakelijke lach van mijn kleinzoon als hij de anderen de oude verhaaltjes vertelt.
Zjef van de Roeëzen, God zegene je om de vele vreugden die je ons bezorgde. Was je een Peltenaar geweest, zeker had de Bokkerijder daar op de hoek van 't Marktplein, geen schijn van een kans gekregen…, daar had jij gestaan …Jij, Zjef van de Roeëzen.

bokkerijder.jpg
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License