Kinderfeesten

Kerstmis

bron : "Widde't nog van toen" van René Vanderhenst

Het overgrote deel van de schoolgaande jeugd op 't einde der twintiger jaren werd al vroeg in 't landelijk leven en het boerenwerk ingeschakeld. We moesten helpen bij hooien en oogsten, de "kuij hujen", de verkensketel in het bakhuis stoken, achter het paard gaan in de manege en allerhande karweitjes opknappen. Begrijpelijk dat de feestdagen als balsem waren op onze kinderhartjes. Denk maar eens aan Kerstmis! Om half zes werd de vroegmis gezongen, om tien uur de Plechtige Hoogmis, in de namiddag Lof en Vespers. Een kerstboom met glanzende bollen, blinkende lampen en sterren kenden we niet. 't Was al heel wat als er bij het kartonnen stalletje een tak, versierd met wat papieren roosjes, stond.
Maar er was meer! Bij de meeste inwoners was het verken geslacht! Niet zo maar een vleesvarkentje van zeventig - tachtig kilo, maar een /.waar spekvarken dat zijn 160-170 kilokes dankte aan 't roggemeel, de melk en de gekookte patatjes. Ons spekvarken was zowat de v lees voorraad voor één jaar. De week voor Kerstmis, als de vorst in de lucht hing, kwam Zjang Vanherck. Het schreeuwende zwijn werd met man en macht op de omgekeerde kruiwagen gesleurd en gekeeld, ’t Hing daarna tegen de achtergevel uit te vriezen in de koude vrieslucht op de "lier". Natuurlijk kwam de buurt het varken prijzen en bij het drinken van "een druppel" klonk het loflied: "Potdomme! een haand spek!" Eens uitgevrozen werd het zwijn versneden. Zjang wette zijn messen en sneed zijden spek, hespen, ribbekes, karbonaden en alles ging dan de "teng" in, een grote houten kuip. Alles werd stevig gezouten en dan moest de kuip vol goed gepekeld vlees de koele kelder in. In de keuken hing de fletse geur van smeltende "kaonen", darmen, kokend bloed en vleesafval.
Maar als we dan, op die koude kerstmorgen na de vroegmis uit de kerk kwamen, geurde de straat en wachtten ons de knappende "krapoet", de bulling, het verse spek en de kipkap met zelfgebakken roggebrood. Zo iets bestaat nu niet meer, neen,… en als we 's avonds nog varkenspootjes en oren in tomatensaus kregen, konden de vreugde en voldaanheid niet meer op!
Oh, dat fameuze spekvarken van toen!!!

Vastenavond

Vastenavond was nog zo'n feest. Tijdens het sermoen in de missen las de pastoor met ernstige stem de Vastenwet voor. Later, volwassen geworden, heb ik daar dikwijls over nagedacht. "Zijn ontslagen van de wet op vasten en vleesderven: de bedienden, de zjandermen, de komiezen en…" De echte werkende dorpsbewoners moesten vasten en… er werd gevast! 's Morgens kregen we een kleine colatie, d.w.z. een snee minder of geen spek in de koek; 's middags een halve haring of een half ei bij de patatten. Maar… tijdens de vastenavonddagen namen we royaal onze voorzorgen tegen het veertigdaagse hongerlijden. Al zingend trokken wij jongens uit de buurt, met een versierde handkar door de straten. Op die kar troonde, met een bonte papieren muts op de kop, onze kapitein. Fonske van de Sik heeft enkele jaren die eer genoten. We reden van deur tot deur, vroegen om een cent in onze beurs, verkochten voor een kwartje onze zelfgemaakte papieren molentjes en lieten ons "wonderbare biejest" (gewoonlijk een hamstertje) bezichtigen. In alle buurten klonk het lied:
lên en twintig, twiêjentwintig, drij- en vier- en vijf- en zessentwintig zeuvenentwintig, aachtentwintig, negentwintig, dertig! Plezier, plezier, en we zien jagers, en we zien jagers! Plezier,plezier, en we zien jagers en gin lansiers.

's Namiddags gingen we kijken naar "het haan trekken van de jong" op 't Schuttersboomplein. Daar kwamen de ongetrouwde mannen uit de buurt. De keurig uitgedoste boerezonen en knechten reden trots op hun met papieren rozen-en linten versierde zware boerepaarden en betwistten er "de koningstitel". Onze stoere ruiters hadden in de voormiddag "hunnen nowjaar" bij de burgerij al opgehaald en in de vele café's hun dorst gelest om in de juiste stemming te komen. Het haantrekken was dan ook een Breugeliaans schouwspel. Aan een dikke tak hing de haan, kop omlaag, juist binnen handbereik van de ruiter. De nek van de vogel was "getoomd" en flink ingevet. Beurtelings draafden de deelnemers onder de haan door en waagden hun kans. Menig kloeke kerel die, recht in de stijgbeugels, met twee handen toegreep, werd uit het zadel gelicht, verloor zijn greep op de gladde hanenek en landde in 't stof, tot algemeen jolijt. Toch moest de haan er eindelijk aan geloven. De gelukkige "trekker" slingerde de bloedende kop tussen de toeschouwers en wij, knapen, stoven er naar toe. Zo'n trofee moest je bemachtigen en terugbrengen naar de "koning", 't Leverde wel een half frankske op. De bereden club, koning voorop, trok dan naar het lokaal voor het "grote teerfeest" dat duurde tot in de kleine uurtjes. Wij, bengels, besteedden onze bijeengeschooide .centjes ook aan een "feestmenu". 'k Zie ons nog zitten in de grote keuken van " De Sik" (Fons was niet voor niks onze kapitein) waar de moederlijke madam ons vergastte op pistolées, krenteboterhammen en grote braadworsten. Lekker dat het was! Onbeschrijflijk! De "mennekes" (dat waren de gehuwde mannen) "teerden" ook maar deden niet mee bij het haan-trekken. Op hun programma stond het "heiringkappen" op Vette dinsdag, soms wel met halfvasten. Aan een balk hing dan een omgekeerde mand en een haringkop piepte daar onderuit. Gewapend met een groot mes moest de geblinddoekte feestneus die haring trachten te onthoofden. Ik weet nog dat ik thuis, de "sliepstieën" moest draaien om dat grote mes te slijpen. Het was een lange oude bajonet, na de oorlog van 14-18 triomfantelijk veroverd op het terugtrekkende Duitse leger. Zo vierden we Vastenavond in het Pelt van toen!

Pasen

De goede week bracht de misdienaars veel werk mee. Je moet weten "toen vlogen de klokken uit de Pelter kerktoren nog echt naar Rome". Ze vertrokken onder 't evangelie van de zeven-uur mis op Witte Donderdag en kwamen, na laden en lossen der paaseieren voor de dorpsjeugd, ook terug onder 't evangelie op zaterdag. We gebruikten de bel niet meer, maar ratelden er stevig op los. Het was zoals Gezelle schreef:
De ratel relt de kerke door; Geen koper- nu, noch brons en hoor ik!
Van de afwezigheid der klokken maakten wij gebruik om de "Paasgaven der parochianen" op te halen. Het werd een grote ronde, een driedaagse, want Haspershoven en Holven hadden noch kerk noch kapel en hoorden dus bij de parochie St.Martinus. Op Witte Donderdag bezochten we de wijken 't Hasselt, de Neus, de Heide, de Houtmolen en de Kadijk. Onze ratels kondigden dan onze komst aan en onze korven (waarin onze middagboterhammen lagen) raakten gevuld met eieren. Op Goede Vrijdag stapten we over de Schuttersboom naar de Riet, 't Hezerke, het Hoverseinde en het Haspershoven en zaterdagvoormiddag restte ons dan het Dorp. Na de rondhaling stapten we met volle korven en een bang hart naar de pastorij om Pastoor Nijs onze eieren en 't beetje geld aan te bieden want… feitelijk kwamen hem de "gaven" toe. Maar die goede man kende zijn "pappenheimers", nam met een ernstig gezicht één of twee eieren en maande:
"De eitjes eerlijk verdelen hoor! Niet foedelen of ruzie maken!" De buit werd dan verdeeld en 't heeft me dikwijls verwonderd hoe die klokken van Rome het aan de steel staken om van die eieren in onze hof te gooien. Van chocolade-en marsepeinen eieren hadden de klokken toen nog geen besef.
Op Paasdag gingen we naar vroeg-en hoogmis, naar lof en vespers, maar als we dan thuiskwamen prijkte het korfje gekleurde eieren tussen de krintemikken-boterhammen op tafel en…
Eén ei, is geen ei,
twee eieren is een ei,
drie eieren is een Paasei.

Groot verlof aan beek en Dommel

De grote vakantie begon op één augustus en duurde tot half september. Zes ganse weken van blijheid en vrijheid, voor de jeugd van toen, schijnen nu echtkort. Of het aan "onze traagheid van leren" lag, dat er in juli nog school was, betwijfel ik, maar wel had toen geen mens in Pelt ooit gehoord van de Horeca-sector en geen kat dacht eraan op verlof te gaan buiten Pelt, laat staan in het buitenland. De straten en de stoepen, de velden en de weiden waren onze speeltuin en de Dommel en de Holvense beek ons zwembad en visvijver. Een oude gedeukte emmer aan de hand, de "katteprul" in de broekzak, trokken we over de smalle veldwegeltjes van "achter de Heuf' en Heggestraat naar de Kadijk. We spoelden onze! dorstige kelen met het lekker water van het bronneke, twintig meter over de spoorweg en… daar was ze: de beek, de ondiepe beek aan 't brugskc, met water zo helder als kristal. Je kon er ieder steentje in de bedding zien liggen, ieder waterplantje zien wiegen, ieder visje zien zwemmen. Uren-1 lang hebbeh we daar pootje-gebaad, bruine zandgeufies gevangen, op snoekjes gejaagd, gespetterd en gespat; ja, zelfs op zaterdagavond ons bad genomen om te ontsnappen aan de wekelijkse wasbeurt in de grote kuip. Als soms de oude Frans Claes voorbijkwam met het grote visnet op de schouder, begeleid door zijn neefjes Zjang en Zjef van Teuntje en Miel en Juul en Frenske Lommmelen, die fier de poerstok en de emmers droegen, dropen we stillekens af om niet te storen en mijmerden over vette witvissen en armdikke palingen. Ja, die Frans met zijn jagerskleding, zijn grote snor en zijn eeuwige pijp!… 'k Heb hem ook nooit gezien zonder zijn tweeloop of zijn visnet.
Aan de Bemvaartmolen hebben we ganse dagen genoten van de Dommel. Urenlang stonden we tot aan de knieën in het water, te vissen op "schelpgeufies" en in de molenkolk aan het wiel op snoek en paling. Er zat nog vis in de Dommel: in iedere kolk huisde Enox… en er waren nog kolken: de Molenkolk, de Stokerskolk waar we 's zaterdagsavonds ons bad namen en in 't Heeserke de Paalkenskolk, de Spaskeskolk… Ja, voor dat de Dommel recht getrokken werd, zwommen daar grote witvissen, rooiogen van een hand breed en palingen van haast een meter. M iel van Fonske Put ving er eens een snoek van meer dan zeven kilo's, asteblieft! Tussen twee visbeurten in werd er gezwommen. Gewoonlijk beperkte onze zwemkunst zich tot zandkrabben. Tussen de Bemvaartbrug en de kromme boom en aan de oude pastorij kon je, bij warm weer, een groot gedeelte van de Pelter jeugd te water vinden. De badkledij van toen voldeed nog niet aan de moderne welvoeglijkheid: het ging van bloot, langs handdoek naar een van de wasdraad gepikte broek van één der zussen, maar de pret in het heldere Dommelwater was er echt niet minder om. Een knaap met zelfrespekt moest minstens eens van het brugske durven duiken.

Kinderspelen

Bij winderige dagen was het druk in het Pelter luchtruim. Over de stoppelvelden renden we dan met onze vliegers van krantenpapier en beter nog, van boterpapier voor de gelukkige zonen uit een winkel. Voor ons, jongens van Dorp en Schuttersboom, lag het zwaartepunt van de luchtvaart bij bakker Helmuske Sleurs. Zijn zonen Lowieke, Jan en Jos droogden de vlierstokken in de oven. Een vlieger van minstens een meter werd geknipt, geplakt en gedroogd en een reuzelange staart moest zorgen voor het nodige evenwicht van ons ruimtetuig. De centjes, door ons geduldig vergaard met de pluk van lindebloem en verkoop van vodden en "schinken" bij Driek Verdonck, werden besteed aan koordjes en met de ganse bende vliegerden we dan in de wei van Monneke Bloemen aan het "zaandkoot" achter de Heuf. We mochten eens voelen hoe hard die vlieger wel trok, we stuurden telegrammen omhoog, we schatten de hoogte (en deden er een flink schepke bij) en speelden en ravotten uren lang in het gras.
Tussen en onder de linden van de Schuttersboom speelden we legendarische voetbalmatchen tegen het Hasselt, de Geitekiezel, het Hezerke, de Roeij vlam van het Fabriek. De matchbal was maar klein en van schuimrubber, we speelden op oude schoenen, gevonden op zolder, maar met tomeloze inzet en vuur. "Drie corners" was penalty en winnaar was de club met de langste adem. We waren toen al de voorlopers van het moderne vrouwenvoetbal, immers, bij gebrek aan een elfde man, stelden wij Mariette van Frenske Vanbaelen op als linksbuiten. Er waren ook nog andere fijne kinderspelen: landkappen met een scherp piekske of een gebroken vijl, "kremke steken", met muntjes van vijf centen stopke gooien, eitussen vangen in de Zeldert op de Perskerkhof, huven op het pleintje voor de smis van Fons Kenis, maar ook bokspringen in het wegeltje voor de winkel van Stokbroeks. Bij het "voorten" moest je soms akrobatische sprongen maken; de meet lag ook zo ver van de bok die zijn rug zo hoog mogelijk kromde. Echt klaswerk was het bloempieken gebonden aan regels die streng moesten nageleefd: bloem-los-drupke-piek-kneukel-snee-dubbel-snee-dubbele piek en … los. Die piek en dubbele piek, uitgevoerd met een stevige klomp van Vanmolleke of Toon Franssen bezorgde menige "bok" blaren op de billen en tranen in de ogen.
De zomerse avonduren hadden een speciale charme. Gezeten in een droge gracht of tegen een huisgevel luisterden we met lange oren en grote ogen naar de straffe verhalen van onze grote broers en buurjongens.
Eens het schooljaar weer begonnen, hing de herfst in de lucht. Dikwijls waren de klassen slecht-bevolkt want de boerezonen moesten helpen bij de aardappel-en bietenoogst. Overal op de akkers rookten de patattenloof-vuren en menig vruchtje werd in het vuur geroosterd en opgepeuzeld.

Sintemarten

Wij, rakkers, beleefden dan volop de voorbereidingstijd op het Sintemartensfeest. Ieder vrij uurtje trokken we met onze stootkar langs hoven en velden op zoek naar dor hout. Wie zijn oude heg moest rooien had aan ons goede klanten. Alles wat brandbaar was reden en sleepten we naar onze stookplaats, het veld van Jandoor Hendriks daar achter de Heuf aan de drie eiken. ledere buurt die zich respecteerde had zijn Sintemartenshoop en wee hem die daar durfde aankomen. De rovers werden afgetroefd met de wapens ter plaatse: takken en stokken. En dan kwam die laatste vrije donderdagnamiddag voor het feest. De mast, een lange denneboom, en pronkstuk van de brandstapel moest stiekem gekapt en geroofd worden uit het Katteboske op het Lindelsveld en… dat boske was van Graar van mojerke!
Graar van mojerke was een van die figuren waarmee de moeders hun stoute bengels dreigden: "Pas maar op, als Graar u te pakken krijgt, dan…!" Hij groeide ook in onze kinderdromen tot een baardige reus die door bos en veld sloop met zijn geweer, op zoek naar stoute kinderen. In werkelijkheid was Graar een arme stakker, een wereldvreemd boertje voor wie de tijd was blijven stilstaan, een vereenzaamde die in een vervallen boerderijke hokte, zich niet meer verzorgde en uit mensenschuwheid slechts in de vroege morgen of bij valavond eens buitenkwam. Zeker is dat hij nooit iemand kwaad heeft gedaan. Begrijpelijk dus dat wij op onze rooftocht onze speurders vooruitzonden, met kloppend hartje het bos inslopen, haastig een den kapten en dan vlug, al rennend met de mast op de schouders, het hazepad kozen. Hoe korter bij huis, hoe sterker onze verhalen werden; we waren ook door vele gevaren gegaan maar… we hadden alles getrotseerd.
Zo werd het elf november, helgrote feest van onze parochieheilige. Na de tienuren mis en de optocht naar het monument der gesneuvelden trokken we erop uit met onze beurs en onze stootkar, op jacht naar centjes, "mutterden" en stro. De geldbuit stelde niet veel voor: wat knepkes, vijf cents en een eenzaam kwartje, maar toch genoeg om een paar liters petrol te kopen. In de namiddag werd het druk op de stookplaats. Joan van Goverten, onze Zjang en de knecht van Jef Hendriks stapelden het stro en l ui hout dat wij aansleepten. Hun loon was een pakske tabak, gekocht van onze schamele centen. Bij valavond kwam het gewichtig moment; de ganse buurt, groot en klein, was aanwezig. We dansten met onze bran¬dende fakkels rond de brandstapel, sprongen en zongen:
Sinte sinte Marten,
de halver hemme starten.
De koeien hemme horens,
de kerken hemme torens.
Wit vuur, zwart vuur,
Sinte Marlen stookt het vuur!
of
Sinte Marlen stook het vuur.
Ich zou mich ies geire wermen,
op mijn bloete ermen.
Geft wa,nog wa ! Tegen 't joare nog wa!
Tegen 't joar um dezen tiejd
dan zulle we riejk en zoalig ziejn,
Riejk en zoalig is goe gedoan,
Geft os wa dan zulle we goan!

De petrol werd dan over het nog vochtige hout gegoten en het vuur werd ontstoken. De vlammen likten en likten en weldra spoot uit die vlammende tongen een regen van glanzende vonken hoog de donkere avondlucht in. In de verte rondom laaide de gloed op van de vuren der omliggende buurten. We werden een bende zwarte, joelende duiveltjes. Zo hoorde het! Het werd late avond eer de brandende stapel ineenstortte, maar… het was weer eens de moeite waard geweest, 's Anderdaags troepten we nog eens samen rond de nazeulende resten.

Sinterklaas

"Daar ginds komt de stoomboot, uit Spanje weer aan."
Dat zongen we ook reeds in onze kinderjaren. Vanaf eind november naar zes december toe, steeg ook het peil van onze leerijver, van onze hulpvaardigheid, van onze braafheid.
Wie wilde het risico lopen, vergeten te worden door die goede Sinterklaas? We meden bij valavond de schaars verlichte straten en ook de donkere hoeken in huis want… die Zwarte Piet hield ons nauwlettend in 't oog. Hij kon toen immers ongestoord over de daken rennen en door de open schouwen loeren en luisteren; geen draden van elektrische leidingen of TV-antennes die hem hinderden. De heilige man zelf kwam ook op bezoek. Indrukwekkend zoals hij daar stond in het gouden licht van de petroleumlamp, die zijn papieren mijter, zijn lange laken-of deken mantel vergulde en de linten en papieren sterren deed glanzen als kostbare edelstenen. Ons vragenlijstje werd zalvend door hem ingekort met… "en de vele arme negerkindjes die dan niks krijgen…" Het voornaamste voor de grote heilige en zijn gevolg kwam nog bij zijn heengaan. Moeder vergezelde hen tot aan de voordeur en stak een half franske, soms wel een ganse frank, in de beurs van Nicodemus. Sinterklazen uit "vreemde" buurten durfden wel eens kaper spelen in het dorp en eens, op een avond heb ik onze Sint met zo'n indringer op de "staf” zien gaan; baarden en mijters vlogen in het rond.
Op vijf december 's avonds zetten we ons blokske: een telloor met daarop een dikke raap of biet, een dikke "poëet". We trokken vroeg naar bed vol goede hoop en bange verwachting.
’s Morgens in alle vroegte, ging de mooie wereld voor ons open. Veel stelde het eigenlijk niet voor: een paar speculatiekoeken, enkele appels die verdacht naar hooi roken, een zakje "huven", een klamoskesgeweer, een paar gebreide kousen die de kleur hadden van vaders oude trui, maar het waren voor ons geweldige schatten. De Sint was gewis een zuining man en een begaafd schilder want mijn kartonnen paard, een witte schimmel had een volgend jaar nieuwe oren, manen en staart en nog een jaartje later was het een bruintje. De lederen voetbal en de voetbalschoenen, door mij zo dikwijls en dringend gevraagd, zullen wel bedeeld zijn aan die arme negertjes. Ik kreeg ze nooit… maar toch, 't was telkens een heerlijk feest voor ons!

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License