Kermisvogels

bron : "Widde’t oech nog" van René Vanderhenst

Kermis was in mijn kindertijd een fantastisch gebeuren. Het was een feestelijke en kleurrijke onderbreking van de dagelijkse sleur. We kenden toen nog geen T.V. en knoppen omdraaien en toetsen indrukken om allerhande spektakels, over de ganse wereld te zien was iets onbestaand voor ons. Het zal je dan ook niet verwonderen dat we naar die jaarlijkse kermis snakten als duvels naar een ziel.
Op woensdag voor julikermis, kon je ons, vanaf half vier, gemakkelijk vinden; we zaten immers steevast op de dorpel voor de deur van het werkhuis van Frenske Vanbaelen, vlak voor het marktplein en tegenover de kiosk. Niets van wat er gebeurde op het kermisterrein ontsnapte aan onze aandacht. De eerste kermiswagen die arriveerde, was altijd de snoepkraam van "den Daniels van het planken dorp". Hij was voor ons zowat als de eerste zwaluw in de lente.
Frans en zijn vrouw verkochten ons hun karamellen, sekken, snoepjes, molentjes en andere prullen. Hun vaste standplaats was waar nu het monumentje van de "Pelter muzikanten" staat, op de hoek aan de ASLK.
… en ze kwamen, één voor één, de vreemde vogels van de foor, de kermismannen. We speurden iedere dag wie bijgekomen was. Het plein raakte vol.
Als dan 's zondags na de hoogmis en de vermanende preek van meneer Pastoor de foor geopend werd, waren we "present"; we vergaten dag en uur en kwamen te laat voor "de patatten met rode kool en haan". We telden en hertelden onze schamele kermiscenten, verdiend met lindebloem plukken, vodden en schinken verkopen en ’t opknappen van allerhande karweitjes.
Geloof me: eens op de foor was het niet meer mogelijk de bekoring te weerstaan om je centen zo gauw mogelijk uit te geven. Op de hoek van het marktplein aan de pomp stond gewoonlijk de paardjesmolen. Het speeltuig draaide op "één paardekrachtje". Het versleten beestje dat er troosteloos zijn rondjes draaide, was mijn lievelingsdier; ik reed mee op zo’n houten dier vlak naast hem. Ik weet nog die keer dat het paardje niet kon werken en dat mijn vriend Jef en ik de molen duwden; drie keren duwen en dan reden we een beurt gratis mee.

swingCarrousel.jpg

Voor de schommels, "de suren" was er altijd veel belangstelling. De sjieke glanzende suren, waarboven een donkerblauw zeil was gespannen, waren van "den dikpoot", een man met een zeer dik rechter been. Het stond zo stoer als je het scheepje tegen dat zeil knalde; een van de knechten keek dan eens vals omhoog en… bonk!… bonk… De remplank bracht je in lagere regionen. De schiettent en de zwiermolen hadden steeds de volle belangstelling maar als circus" Johny" zijn deuren opende, waren we er als de kippen bij. Clowns en acrobaten konden rekenen op ons enthousiasme en wekenlang na de kermis, oefenden we nog hand- en kopstanden, salto's en duiksprongen.
Een echte "ippedrom", een hippodroom, heb ik na de oorlog nooit meer gezien. Dat was een heel grote tent met binnenin een piste; daarin liepen een tiental paarden. Het leken mij edele volbloeddieren, echte Arabieren, al waren het in werkelijkheid een troep oude, versleten knollen. Voor ons was de prijs voor een ritje wel wat duur, maar in de avonduren kwamen daar de grote mensen en reden de dames uit de burgerij en de notabelen op die edele rossen. Ja! De kleinkindertjes van die ruiters zie je nu pony rijden in een klein tentje met Pelt kermis. "Zo d'ouden zongen, zo piepen de jongen."
Op een kermisdag, bij valavond, heb ik eens stiekem door een spleet in het tentdoek van het danspaleis "De Meyleman", op de hoek van het plein voor café Leen, gegluurd. Ik had zo gaarne "die duivel" van pastoor Nijs eens gezien Je weet wel, die duivel die rondsloop in de duisternis, vooral in de danstent. Ik heb de Satan niet gezien maar denk wel dat hij er was want ik zag door die opening dat Mia (een stralend kind van 20 lentes uit onze buurt) doodsbang heel dicht tegen een grote jongen leunde; de arme meid zocht gewis hulp tegen de duvel.

paardjesmolen.jpg

Ergens op het einde der twintiger jaren heb ik voor ’t eerst een "karresèl" gezien op de kermis. We hadden elektriciteit op het dorpsplein en in de donkere avond was het een fantastisch schouwspel: vele lampjes die weerkaatsten in de vele spiegels, steigerende witte paarden die voorbij draaiden, en 't schitterende orgel. De nederige paardjesmolen, juweel uit mijn jeugd, tuimelde van zijn voetstuk en leek nog armoediger dan daarvoor. De volwassenen bestormden letterlijk die carrousel en reden dan, ernstig kijkend, aan onze verblufte ogen voorbij. Ja, de beschaving liet zich reeds voelen op de kermis!
Op de hoek van het marktplein aan de oude pomp heb ik voor het eerst de roeping gevoeld om acteur (toneelspeler) te worden. Daar stond eens een grote tent, een soort theater. Voor aan de ingang was er een hokje waar je een inkomkaartje kon kopen. In het gras stonden een paar rijen plooistoelen en voor in de tent was een podium opgebouwd, afgeschermd door een rode gordijn.
Er werden daar meesterstukken voor het voetlicht gebracht. Ik weet nu dat de artiesten klungelaars waren, dat de prachtige kleren slechts vodden en prullen waren, vol klatergoud, maar… ik heb daar onnoemelijk genoten! Roerloos, ademloos, aanhoorde ik de droeve avonturen van de edele "Genoveva van Brabant". Ik spaarde haast al mijn kermiscenten, durfde nauwelijks een cent uitgeven aan snoep of speeltuig, maar drie kermisavonden zat ik wel in de schouwburg. Ik heb geweend en gejubeld met Genoveva en de boze ridder deed er goed aan buiten bereik van mijn vuisten te blijven. Ik heb dat mooie meesterwerk eens op komische wijze zien brengen en hoor! sommige zinnen uit de tekst zijn nog in mijn geheugen gegrift:
"Daar komt Siegfried, de dappere held, Op zijn zeven gemakken aangesneld. Hij is gewapend van zijn kop tot zijn hakken In zijn hand draagt hij twee papieren zakken."
; en nog (het betrof hier die dappere ridder):
"Hij heeft een ziel van ijzer en staal, Giet er water op, dan roest het allemaal!"
Maar genoten heb ik, met volle teugen!

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License