Hoe Groen Was Mijn Dal

bron : "Widde’t oech nog" van René Vanderhenst

Timmermans vereeuwigde Palieter voor 't nageslacht. Had die schrijver ons Pelt als woonplaats gehad, zeker had het ganse Vlaams land nu weet van "Zjang Flup", de filosoof van Pelt.
Als je aan 't standbeeld de straat instapte, richting Fabriek, had je aan je rechterzijde de boerderij van Helmus Pinxten en dan het grote huis van Zjang Flup (het huis staat er nog steeds), de meester-verver. Zjang, een vrolijke, eeuwige jonkman, woonde er in bij zijn zuster Gonneke en haar man Simon.
In die tijd was Door Schreurs van Neerpelt een algemeen erkend beroepsfotograaf, onmisbaar bij eerste en plechtige communie, huwelijksfeesten en andere feestelijkheden, maar onze Zjang schrok er niet voor terug om ook onder het zwarte doek te kruipen (als amateur-fotograaf) en zo vereeuwigde hij half Pelt en… met klasse en succes.
Hij was in zijn tijd een zwierige, gesnorde jongeling, met een flinke kostwinning en… "Hij zit er oech nog goed veur!", zeiden ze in Pelt.
Menig frisse Pelter maagd liet zich, blozend, door hem portretteren en bewaren voor 't nageslacht. Als hij 's zondags, na de hoogmis en de nodige pintjes, met zwier door 't dorp stapte, werd stiekem menig gordijntje gelicht en menig hartje sloeg een tikje sneller.
Ik ben er niet heel zeker van, maar misschien is onze verver »onbewust" de oorzaak geweest van onze tweede bijnaam "de gordijnekiejkers"!

ZjangFlup01.png

Van beroep was Zjang schilder-tapisseur, zeggen we eenvoudig “verver". Hij had een bloeiende zaak, veel werk, altijd volk over de vloer, een paar knechten en… 'n zonnig humeur!
Aan ieder huis in Pelt en in de omgeving merkte je z'n teken: groene "blaffeturen", groene voor- en achterdeuren, groene stal- en schuurdeuren. 't Is onmogelijk in te schatten hoeveel liters van dat beroemde "boerenschuurdeurgrun" hij op zijn werktafel gemengd heeft…, maar 't was dan ook een pure, sterke kwaliteitsverf.
'k Weet zelfs dat één der veel belovende jonge Peltenaren, in ’t laatste jaar humaniora, bij een eindexamen op de vraag "Van wie is dan 'hoe groen was mijn dal' ? " tot verbazing van de prof, zonder aarzelen antwoordde: "natuurlijk van Zjang Flup!"
Je kon onze meester-schilder rustig vragen kamer en keuken tegen de kermis te komen behangen en verven, hij weigerde nooit! "Kiest oech mè gaaw e pepierke, vrouwke", zei Zjang, "dan verliere we tulliejt zeker ginnen tiejd! We duun dè nog rap vur de kermis!"
Het vrouwke haastte zich met "heur pepierke en heur pleksel" snel huiswaarts, kwestie van Zjangs knechten voor te zijn…, maar was ’t nu "tegen" eerste of laatste kermis of voor volgend j aar?
Echt waar is het volgende verhaaltje: Op een woensdag voormiddag, vlak voor eerste Pelt kermis, stapten twee vrouwen ’t werkhuis binnen. Het was er druk. Zjang was er, hoed op en dampende pijp onder zijn hangsnor, op zijn werktafel verf aan 't mengen. "Zjang," zei één van de vrouwen, "dè 's nouw al twieje joar dè ge beloft tege de kermis te kome behange. Wellie warre zjust in 't durp kemissies an 't doeën en we dochte we springe ies efkes binne bê Zjang."
"Zjusses," zei Zjang, "ziede daan men knechts niej tegegekomen ? Ze zien tien minutjes geleen no ulliej vertrokke. Ziet dè ze oech nog oan de gesloate deur stün!"
Haastig snelden de dames terug naar de Over 't Waterstraat. Zjang pakte zijn pijp uit zijn mond en vroeg aan "ozzen Tjeu" die daar stond te wachten: "Mathieu, jong, wie waar dè? Kende gè die oech niej?"
Onze dorpsschilder was een man die dicht bij de natuur stond. Achter in de tuin, in zijn grote "biehal", moest je hem bezig zien! Hij ging van korf tot korf, prutste overal wat aan en had als enigste bescherming tegen 't steekgrage volkje zijn dampende pijp. De bijen schenen hem goed te kennen en hij gaf de indruk ieder bijke met haar voornaam aan te spreken.
Onnodig te zeggen dat Zjang, samen met Lewie en Henri Lecocq, de grote bezieler was van de Sint-Ambrosiusgilde.

ZjangFlup02.png

Als onze fanfare opstapte naar kermis of ere-mis, marcheerde Zjang Flup, vlak achter de vaandrig, in de rangen der notabele bestuursleden (je moest daar immers geen muziek voor kennen, maar wel op tijd en stond 'n pint trakteren).
In de processie droeg Zjang één der grote flambauwen naast het baldakijn.
De devotie was dan zo van zijn gezicht af te lezen. Ieder jaar rond Nieuwjaar bezocht hij zijn schuldenaren-klanten. Zo was toen de gewoonte en zo deden ook de huiseigenaars, de smid, de timmerman en andere vaklui. Je kunt begrijpen dat zo iets een tocht werd vol "voetangels en schietgeweren", een tocht vol drupkes, pinten en sigaren.
Ook de vereniging van de edele handboog kon er prat op gaan hem in de rangen te hebben als bekwaam schietend lid. Wel had hij een speciale manier van mikken; hij mikte feitelijk niet. Hij zette de pijl op de pees, keek eens naar het doel en dan scheen hij die pijl zomaar richting roos te gooien. Veel rozen schoot hij nooit, behalve als iemand overmoedig met hem wou wedden.
Fraans Spooren, de waard van het Vlaams huis in Neerpelt en werkelijk 'n briljant schutter, zag Zjang eens klungelen op een wedstrijd. Om wat leven in de brouwerij te brengen wedde Frans tweemaal ter reken voor "nen toernee vur de zaak!". Hoe sterk Frans ook mikte en schoot, de klungelaar schoot beter, keer op keer in de Neerpeltse roos. Frans keek groen en half Pelt lachte en dronk gratis.
Zo was hij, filosoof Zjang Flup; een echte Pelter bloas vol humor en talenten.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License