De Vier Heemskinderen

bron : "Widde’t oech nog" van René Vanderhenst

Ik meen er goed aan te doen hier een laattijdige hulde neer te schrijven, een hulde aan "man en dier", die in mijn kinderjaren het Pelter straatbeeld beheersten: vrachtvoerders en hun stoere trekpaarden. Hun ras is uitgestorven, verdwenen.
't Zou nu ook te traag en te klein uitvallen in het moderne transport… maar ik hoor nog de galmende klank der ijzerbeslagen hoeven van hun paarden op de kasseien en het gedokker van hun zwaar beladen karren.De meest befaamde en door alle Peltenaren gekende vrachtvoerders van dorp en streek waren ongetwijfeld ozze Zjang, Joan van Covert, Zjuul Mesotten en Zjaak van mulder Sevens", de ongekroonde koningen der wegen.

WiddetOechOzzeZjang.jpg WiddetOechJoan.jpg
Ozze Zjang Joan van Covert
WiddetOechZjuulMesotten.jpg WiddetOechZjaakvandeMulder.jpg
Zjuul Mesotten Zjaak van de mulder

Ze waren waarachtig geen kwezelaars of doetjes! Verre van! Ze waren sterke boerenzonen, die ondanks het werk op de boerderij, een dikke frank bij wilden verdienen in hun lege tijd.Dikwijls, nog voor de zon in de lucht hing, ratelden de karren door de Dorpsstraat; 's avonds als de duisternis reeds over de huizen hing, bonkten nog de paardehoeven. Regen noch sneeuw, hitte noch vorst, niets hield hen tegen: als er vrachten waren te halen, spanden ze hun paarden in en reden ze uit.
De metsers-aannemers, Zjang Eyssen en Stroejke, hadden hen regelmatig nodig want bouwmaterialen voor huizen der dertiger jaren moesten hun karren op en af: zand, stenen, cement, pannen! Meermaals reden ze dan de "lange kiezel”, nu de Leopoldlaan, op en af tot aan de "basseing" van Neerpelt kanaal, waar Zwarte Gust zijn los- en stapelplaatsen voor bakstenen had.
Graar van Jandoor Hendriks aan 't marktplein, handelaar in meststoffen, deed regelmatig beroep op hen voor 't lossen en leegrijden van zijn "schip" guano, kaïniet en andere grond-veredelende stoffen.
Voor Nonke Pol en Zjors van de "koperetief" losten ze aan de statie van Neerpelt wagons en wagons steenkolen en trokken dan ook regelmatig langs de "zjendermerij" op de geitenkiezel. Op 't Fabriek laadden ze "assen en slekken" voor verharding van wegen en erven en rustig reden ze dan over Houtmolen en Leukens en bezochten regelmatig hun vriend Toon Kelchtermans, erkend cafébaas! Het Pelter wegennet had geen geheimen voor onze vier helden en je zult begrijpen dat stof en hitte, regen, koude, honger hen dikwijls verplichtten uit te zien naar de nodige pleisterplaatsen voor man en paard.
Op de "lange kiezel” namen ze regelmatig een verfrissing bij Kubke Winters en iets verder nog dichter naar Neerpelt, ook bij Dina Diercks. Ha, die Dina! Ze speelde de lokvogel! Lieve lezer, versta me niet verkeerd hoor! Luister eerst en oordeel dan.
Als Dina bij regenachtig of echt slecht weer de paardehoeven hoorde, snelde ze naar buiten, recht de weg op. "Och gottekes toch! Die èrem biestjes!", jammerde ze. "Zoeë kaawd en zoeë moette trekken! l lei se!" en ze voerde de glunderende paarden een klontje suiker, zo maar uit de hand. Begrijpelijk dat onze Voesj en zijn soortgenoten daarna automatisch stopten bij Dina (hoe zou je zelf zijn?) en de arme voerlui verplichtten iets te gaan drinken in 't café!
De paarden wachtten buiten op een klein graspleintje, kregen "den haverzak” voorgebonden en deden staande 'n dutje. Dat was een doorn in 't oog van de Simpel, "diejn rotzak van ne zjendèrem". Als een dondergod stond hij zomaar opeens in de herbergdeur, draaide aan zijn knevel en bulderde: "Doa stoan ze wèr, die èrem peirden, zoë mè loas! De volgende kier binde ze vaast of ge vliegt op den boek!"
Volgende dag, bij de middaghalte, werden de paarden vastgebonden. De vier "kordielkurdjes" werden samengeknoopt en juist naast de ingangsdeur, aan de kapstok vastgehaakt. De Simpel die, speurend, voorbij kwam op zijn dienstrijwiel, knikte goedkeurend. Die kerels schenen hun lesje te leren. Toen echter onze vier kornuiten, na 't nuttigen van het nodige gerstenat, naar buiten stapten, schrokken ze zich een aap! Ginds, ver weg, richting kanaal, trokken de vier karren, mooi op rij. Achter de laatste kar, toevallig die van Zjaak, hobbelde de kaf over de weg, nog vast aan 't kordielkurdje.
"Kolen laden" gebeurde in Neerpelt statie aan de vrachttrein. vroeg in de morgen trokken de paarden, karren en voerlui, over geitenkiezel langs de "kemiezenhuis", het mattenfabriekske en de "zjendermerij". Om het gewicht van iedere lading te bepalen moest eerst de lege kar gewogen worden en op de terugweg de geladen kar. Ze wisten het toen al, onze voerlui: bruto min tarra is netto. Helaas! Dat wegen moest gedaan worden of bij War Broeks of bij de Krol en natuurlijk hadden die mannen café en dus ook drank om al dat vuile kolenstof weg te spoelen.

WiddetOechOverwegbijBrebelke.jpg

Wie ons Pelt kent, zal dadelijk zien waar het strategisch knooppunt lag van al die tochten; daar bij Brebelke, vlak achter de overweg. Daar stonden dan ook steevast op donkere avonden de Simpel en zijn ambtsbroeders om te loeren of onder de kar de petrollantaarn, voorkant wit, achterkant rood, wel brandde.
Op een mistige herfstavond was, verdorie, de lantaarn van Zjuul rats leeg en hoe hard onze voerman zijn schietgebeden (vooral Franse, beginnende met Nonde nonde) ook aframmelde, het ding gaf geen licht.Maar geen nood! Zo gemakkelijk was Zjuul niet te vangen. Zo een honderd meters voor de overweg spande hij zijn ros uit, zette het beest op de kar en kroop zelf tussen de berries. Het gespan van Zjaak van de mulder voorop en Zjuul als laatste reden ze voorbij Brebelke.
De Simpel sprong achter de hoek vandaan en schreeuwde triomfantelijk : "Halt, Misotten, doar heddet! Gin licht bij zoe weer! Da git geld kosten !”. Zjuul wees eens met zijn duim over zijn schouder naar zijn kar en snauwde : "Regel het daan mèr met de voerman op de kèr, hotverhoeme, Simpel.".
Maar alle gekheid op een stokje: onze vier voerlui waren "niej meen!". Neem nu eens Zjuul; die was onder zich oeët. Hij stond uren in de omtrek, kerkedorpen ver, bekend als een onvervaard hondentemmer. Het ruigste beest kroop op zijn buik als Zjuul naar hem wees. Hij had zelf ook altijd echte politiehonden, rasdieren. Je zult begrijpen dat onze Zjang en Joan van Govert haast omver vielen toe ze Zjuul eens zagen wandelen met een piepklein beestje aan de lijn. "Zjuul", riep onze Zjang, "pas mè op; medieëme git da bieëst er mè och van door! Des toch ginne pelitiehond?" - "Jowel, hotverhoeme, des er iene van de geheim pelies!" zei Zjuul.
Als laatste statie op hun lange tochten over de Peller wegen werd herberg Gerard Lemmens bezocht. Als het niet al te laat was, durfden ze nog een kaartje te trekken. Onze Zjang speelde er op een avond een pracht van een open misère; dertien klaveren, dus niet te vangen. Had hij verdorie toch vergeten dat hij eerste man zat en dus moest uitspelen.
Zjefke Vanreusel, gewapend compagnon van de Simpel, kwam er zich regelmatig vergewissen van de toestand… en dronk, zo als het paste, een stevige pint mee. Als de sneeuw op barre winterse dagen een voet dik lag, moesten de paarden "scherp" gezet worden; Fons de smid zorgde voor de gesmede driehoekige pinnen die in de hoefijzers geschroefd werden. De rijdieren stapten dan "op studs" zoals de hedendaagse atleten. De sneeuw dempte de hoefslagen maar geen nood! Reeds van verre hoorde je de bellekens aan de kopstukken en “den haam” vrolijk tingelen.
Zjan, Joan, Zjuul en Zjaak, stoere kerels uit het Pelt van mijn jeugdjaren, ik denk aan jullie terug met bewondering en een tikkeltje weemoed naar de tijd van toen!

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License