De Riet

bron : "Widde't nog van toen" van René Vanderhenst

In de Riejt, schiejten ze kriejt
Behalve die van Leynen, die schiejten rozijnen.

Het zingen van dat liedje was voldoende om de jeugd van de Riet .op stang te jagen … en die van Thieu Krummers, die van de Brebel, die van Zjang Lits en die van Leynen namen hun "blokken" (in de klas klompen genoemd) ter hand en ze klopten er dan begot niet naast. Maar een buil of 'n bloedneus waren rap vergeten en … de Riet bleef voor ons ‘n kinderparadijsje.
Al was het maar een assenweg van een paar honderden meters tussen de boerderij van Zjang Lits vooraan en Nies Paesen aan het einde, met daartussen enkele huizen en hoeven, de Riet was belangrijk voor Pelt. Het gehucht lag vlak bij de Root, waarde Zeldert ontspringt en had malse weilanden en labeurgrond. Wat het Haspengouw voor Limburg is, dat is de Riet voor Pelt.
Meer dan half Overpelt ging op klompen van Toon Franssen, de boerekarren kwamen van Thieu Krummers, de specialist in 't maken van karwielen. Thieu's kinderen stonden bij ons in hoog aanzien: hadden ze niet een nonkel Pater in China? Jan Lits was de trotse bezitter van een ezel. Het hart van de Riet klopte echter bij Leynen in de enige winkel van de straat en daar tegenover bij Chel van de boer lokten ons de kegel-en de beugelbaan waar bij lente-en zomeravond dagelijks de jeugd vergaderde.

Maar de lokroep van de Riet huisde in de armenhuisjes: daar woonden de armen, uit de vreemde hier verzeild: Trui van Zeveske, Bal, die van Kubbe, maar vooral Roeij Nel. Ons Nel zou een onopvallend vrouwke geweest zijn, ware daar niet haar stijve rosse haren en haar schetterstem. Ze moet een trouwe bezoekster geweest zijn van Henri Vanherck, onze armenmeester, en 't weze gezegd: Henri heeft haar op ‘t einde goed laten verzorgen in een bejaardentehuis.

Zodra Nel op straat kwam, klonken er wel ergens kinderstemmen . "Nel, wa koast de ko'pren droad?" En aangezien ze veel op straat was "uit hoofde van beroep", was die vraag schering en inslag. Je moet weten, ons Nel ging voor een kleinigheidje "de geit leiden" d.w.z. ze ging met de bronstige geit (en de koe der armen was talrijk aanwezig in Pelt, denk maar aan de geitekiezel) naar de bok. Menig diertje werd op die tocht getroffen door een projectiel uit onze "katteprul" of door een plots uitschietende klomp en sprong dan verschrikt op tot ergernis van Nel. Ze trok dan alle registers open en schold ons de huid vol met hoge schelle stem. Ze kende een ganse litanie erenamen voor ons; gaande van bandiet tot "bokseschiejter", met alle mogelijke variaties daartussen. Elke scheldpartij eindigde onveranderd met de dreiging: "mèr ich zal 't ouwe pa, ouw ma, de miester, de juffrouw of de mère ies zegge; ge zult er nog van hure!" … en standvastig hield ze haar woord en vertelde alles aan voornoemde gezagshebbers.

Toch was er iets in 't leven van deze vrouw dat de lucht blauwer en de zon stralender maakte: de liefde voor haar man, "Herrie den Has". Ze was verliefd, op 't jaloerse af. Ze wachtte trouw haren Herrie op als hij van ’t werk kwam, gewoonlijk op de veldweg naar de Riet, maar soms, vooral als de pree uitbetaald werd, aan de Dorpsstraat tegenover brouwer Kerkhofs.
Het toevallig buitenkomen van een der dames Kerkhofs was voldoende om Nel te doen steigeren: ze schetterde dadelijk: "Ge hoeft nie nao mijnen Herrie te loeren; hij wilt ullie toch nie!" Tevreden stapte ze dan achter "den Has" aan naar huis en echtelijke twistpartijtjes (als er die waren ?) werden achter gesloten deuren afgehandeld. Ja! er zijn niet veel geiten meer in Pelt maar ook geen Roeij Nel!

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License