Beroemde Mannen Van T Hasselt

bron : "Pelter ditjes en datjes" van René Vanderhenst

Ik heb al verteld over 't Hasselt, over de wal, Narrus en het wijfke Cuyvers. Ga nu niet denken dat er in 't Hasselt en de Nuës niks anders was dan dat!
l ntegendeel! Ons oudste gehucht had vroeger echt honkvaste bewoners: tussen «Het Vlams hoeës» van Fonske Put vooraan en Gielke Vrijsen op het einde, woonden vele boeren en zelfstandigen waarvan de familienamen nu nog steeds voorkomen: Janssenswillen, Pinxten, Kuppens, Walbers, Schildermans, Vandebroek, Meurs, Voets, Renckens en anderen. Nölleke Gielen en Jefke Martens waren winkeliers; er was de molen van Leyssen, de herbergen van Charel Lecoq, den Hoebot en zeker die van Henke en Mie Sleurs. Driek Verdonck was voor ons een zeer voornaam persoon. Hij kocht onze oude vodden en onze «schinken», mols- en konijnevellen, m.a.w. hij zorgde voor onze kenniscenten!

Pelterditjes02_VlaamsHoes.png

Hier, aan het Vlams Hoeës begon 't Hasselt

Maar geen enkele «'t Hasselaar» zal het me kwalijk nemen als ik hier speciaal wil vermelden Josephus Reymen, alias «Zjefke den haammaker). Ons Zjefke, van Ekselse afkomst, woonde vooraan in de Hasseltstraat, Henke Sleurs voorbij, in een lang huisje (het staat er nu nog trouwens). Hij huisde samen met zijn zuster, die het huishouden beredderde, en zijn broer, een duiveldoetal, op het boerderijke. Zjefke had geen tijd voor de boerenstiel, nee! Hij was haammaker!, meester paardegetuig-maker, wiens faam zich verspreid had in vele kerkedorpen in de wijde omtrek. Begrijpelijk dat er een flinke duit verdiend werd en… Zjefke droeg met zwier zijn klakske, schuin tegen zijn kop. Hij praatte met Jan en alleman en dronk op tijd een stevige Hertekamp. Op de schouw in zijn werkplaats, die rook naar smeer en leer, stond steeds een doosje «babbeltjes» te wachten op de buurkinderen die regelmatig binnenwipten. De Zjef was zowat de «roem», het pronkstuk van ’t Hasselt.
In mijn jeugdjaren was hij al een bejaard man, maar…hij had een leerling, een uitermate begaafde leerling, iemand die mogelijk «in de verre toekomst» de leermeester zou overtreffen.
Die leerling was Herrie Schildermans. Zjefkes buurjongen. Steeds was deze leergierige kerel in het werkhuis te vinden, eerst als toeschouwer, later als leerling.

Pelterditjes03_HerrieSchildermans.png

Toen Herrie volleerd was en ook nog trouwplannen had, wilde meester Zjef hem de zaak laten overnemen, maar Herrie wenste op eigen benen te staan; hij trouwde zijn Lies en vestigde zich als zelfstandig «getuig-maker».
Iedereen kende hem als Herrie den haammaker. Hij was in zijn glorietijd een vlotte, opgeruimde kerel; hij was er «gère bij» en de voerlui, zijn vaste klanten, sloegen er menig gezellig praatje. Kwaadsprekers beweren zelfs dat in zijn atelier menige frats bekokstoofd werd! Herrie en zijn confrater Zjang van den Hoebot, zorgden dat het getuig der vele Pelterpaarden uren in den omtrek bekend was om zijn fraaiheid en degelijkheid. Onze twee haammakers hadden een goede eigenschap gemeen, ze trakteerden hun klanten nogal eens op 'n borrel (kwestie de koude uit de botten te jagen).
Om je te bewijzen dat er te dien tijde in 't Hasselt en op de Nuës nogal eens een «stevige fles» gedronken werd, wil ik je het volgende verhaal vertellen:

Straffe koffie!

Zjang Vanherck, onze varkensslachter, woonde met zijn vrouw en zijn schoonbroer Zjef van Jandeurke in Herrie's buurt. Wel, die Zjang ging met zijn goede vriend «den dikke Vewin» nogal eens een borrel vatten bij Mie van Henke Sleurs. Als die twee kadetten, een beetje aangeschoten, daarna terug bij Jandeurke belandden, haalde Zjang de fles vanachter de kelderdeur tot grote ergernis van jonkman Zjef.
«Potverdommese zoatlappe», schold hij, «hedde nouw nog niej genoeg gezopen? Gellie moest verlège zien, zoate kalver!»… en 't borreluurtje eindigde in een familiaal scheldpartijke.
Op zo'n borreldag moet Lies van de haammaker gauw een kommissieke doen bij Trien van Jandeurke en… ze viel haast achterover van verbazing; zaten toch zeker Zjang en den Dikke aan de keukentafel een taske koffie te drinken. De koffiekan stond op de stoofbuis en Zjef liep fluitend in en uit met zo'n blik van «vwala, ze kriege verstaand». «Lies», fleemde Zjang, «Lies, schud ich och oech e zjetje koffie een?» Lies zette zich bij, dronk een slokske en verslikte zich haast in die straffe koffie. Had me toch die Zjang, om schoonbroer Zjef te verschalken, de koffie opgegoten met een goeie fles Hertekamp!

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License